Elk voorbeeld hieronder bestaat uit drie delen: de oorspronkelijke tekst, een letterlijke woord-voor-woord-uitleg (gloss) die laat zien hoe elk woord functioneert, en een natuurlijke vertaling. De glosses gebruiken een aantal afkortingen om kort te blijven. Je hoeft ze niet uit je hoofd te leren — dit is een naslagwerk waar je naar terug kunt komen. Persoon en getal · 1sg / 2sg / 3sg — eerste / tweede / derde persoon enkelvoud (ik, jij, hij/zij/het) · 1pl / 2pl / 3pl — eerste / tweede / derde persoon meervoud (wij, jullie, zij) Geslacht en naamval · m / f / n — mannelijk / vrouwelijk / onzijdig · sg / pl — enkelvoud / meervoud · m.sg — gecombineerd: mannelijk enkelvoud (en op dezelfde manier f.pl, n.sg, enz.) · NOM / ACC / GEN / DAT / INS / LOC — grammaticale naamvallen (nominatief/accusatief/genitief/datief/instrumentalis/locatief) — welke rol het woord in de zin speelt Tijd en aspect · PRES — tegenwoordige tijd · PRET — preteritum (een afgeronde gebeurtenis in het verleden) · IMPF — imperfectum (een lopende of gewoontematige situatie in het verleden) · FUT — toekomende tijd · PERF — perfectum (een voltooide handeling met relevantie voor het heden) · PROG — progressief (handeling bezig, bijv. ik ben aan het eten) · COND — voorwaardelijke wijs (zou…) Wijs · IND — indicatief (gewone mededeling) · SUBJ — aanvoegende wijs (onzekerheid, wensen, twijfels) · IMP — gebiedende wijs (bevelen) · INF — infinitief (woordenboekvorm: gaan, eten) Overig · REFL — wederkerend (handeling op zichzelf: mezelf, jezelf) · PERS — persoonlijke a (alleen Spaans — markeert een menselijk lijdend voorwerp) · HON — beleefdheidsvorm (extra beleefde vorm, gebruikelijk in het Japans/Koreaans) · TOP / SUB / OBJ — onderwerps- / topic- / objectmarkeerders (Japans, Koreaans) · CL — classifier (Chinees, Japans, Koreaans — een telwoord bij zelfstandige naamwoorden) · NEG — ontkenning
De basiswoordvolgorde in het Spaans is Onderwerp-Werkwoord-Voorwerp (OVO), net als in het Engels en grotendeels als in het Nederlands. Het Spaans is echter een 'pro-drop'-taal: het onderwerpsvoornaamwoord wordt meestal weggelaten, omdat de werkwoordsuitgang al aangeeft wie de handeling uitvoert. Het vermelden van het voornaamwoord voegt nadruk of contrast toe. De woordvolgorde is ook flexibeler dan in het Nederlands: het onderwerp kan na het werkwoord komen voor nadruk, vooral bij onovergankelijke werkwoorden of in vragen. Bijwoorden en voorzetselgroepen kunnen vrijer van plaats wisselen. Voornaamwoorden die als voorwerp dienen, volgen echter strikte plaatsingsregels (meestal vóór het vervoegde werkwoord).
Spaanse lidwoorden komen overeen met het zelfstandig naamwoord in geslacht (mannelijk/vrouwelijk) en getal (enkelvoud/meervoud). Bepaalde lidwoorden ('de/het'): el (m.sg), la (f.sg), los (m.pl), las (f.pl). Onbepaalde lidwoorden ('een/sommige'): un (m.sg), una (f.sg), unos (m.pl), unas (f.pl). Het Spaans gebruikt bepaalde lidwoorden vaker dan het Nederlands: bij abstracte zelfstandige naamwoorden, algemene uitspraken, talen na de meeste werkwoorden, lichaamsdelen en titels wanneer je over (en niet tegen) iemand spreekt. Het onzijdige 'lo' wordt met een bijvoeglijk naamwoord gecombineerd om een abstract zelfstandig naamwoord te vormen (lo bueno = 'het goede').
Onderwerp: yo, tú/usted, él/ella, nosotros/-as, vosotros/-as (Spanje) of ustedes (Latijns-Amerika), ellos/-as. Lijdend voorwerp: me, te, lo/la, nos, os, los/las. Meewerkend voorwerp: me, te, le, nos, os, les. Wederkerend: me, te, se, nos, os, se. Voornaamwoorden als voorwerp gaan vóór vervoegde werkwoorden, maar worden vastgeplakt aan infinitieven, gerundia en bevestigende imperatieven. Wanneer zowel lijdend als meewerkend voorwerp voorkomen, komt het meewerkend voorwerp eerst; 'le/les' wordt 'se' vóór lo/la/los/las. Bezittelijke voornaamwoorden: mi(s), tu(s), su(s), nuestro/-a(s), vuestro/-a(s), su(s); ze komen overeen met het bezeten ding, niet met de bezitter.
Elk zelfstandig naamwoord is mannelijk of vrouwelijk. De meeste woorden op -o zijn mannelijk, de meeste op -a zijn vrouwelijk, maar er zijn uitzonderingen (la mano, el día, el problema). Woorden op -ción, -sión, -dad, -tad zijn meestal vrouwelijk; woorden op -ma (uit het Grieks) en -or zijn meestal mannelijk. Bijvoeglijke naamwoorden moeten overeenkomen met hun zelfstandig naamwoord in geslacht en getal. Bijvoeglijke naamwoorden op -o hebben vier vormen (-o, -a, -os, -as); die op -e of een medeklinker hebben meestal twee vormen (enkelvoud/meervoud). Bijvoeglijke naamwoorden volgen normaal gesproken het zelfstandig naamwoord, maar enkele veel voorkomende (bueno, malo, grande) gaan er vaak aan vooraf en worden soms verkort.
Spaanse werkwoorden vallen in drie groepen op basis van de uitgang van de infinitief: -ar (hablar), -er (comer), -ir (vivir). Elke tijd heeft zes uitgangen voor persoon/getal: yo, tú, él/ella/usted, nosotros, vosotros, ellos/ustedes. Regelmatige werkwoorden laten de infinitiefuitgang vallen en voegen er de uitgangen van de specifieke tijd aan toe. Belangrijke onregelmatige werkwoorden die je uit je hoofd moet leren: ser (zijn — identiteit), estar (zijn — toestand/locatie), tener (hebben), ir (gaan), haber (hulpwerkwoord 'hebben' voor samengestelde tijden; onpersoonlijk 'er is/zijn' als 'hay'). Veel werkwoorden zijn stamveranderend (e>ie, o>ue, e>i) in beklemtoonde lettergrepen, en veel hebben een onregelmatige yo-vorm.
De indicatieve tegenwoordige tijd dekt huidige handelingen, gewoontes, algemene waarheden en plannen in de nabije toekomst. Regelmatige uitgangen: -ar-werkwoorden krijgen -o, -as, -a, -amos, -áis, -an; -er-werkwoorden krijgen -o, -es, -e, -emos, -éis, -en; -ir-werkwoorden krijgen -o, -es, -e, -imos, -ís, -en. Het Spaans heeft standaard geen progressief hulpwerkwoord: 'hablo' dekt zowel 'ik spreek' als 'ik ben aan het spreken', hoewel de constructie 'estar + gerundium' (estoy hablando) de nadruk legt op de lopende handeling. Stamveranderende werkwoorden veranderen in alle vormen behalve nosotros/vosotros.
Het Spaans heeft twee enkelvoudige verleden tijden met een cruciaal aspectueel onderscheid. Het preteritum (pretérito indefinido) gebruik je voor afgeronde, begrensde gebeurtenissen met een duidelijk eindpunt: 'ik at', 'zij arriveerde'. Het imperfectum (onvoltooid verleden tijd) gebruik je voor lopende, gewoontematige of beschrijvende toestanden in het verleden zonder duidelijk eindpunt: 'ik at altijd', 'zij was aan het arriveren', 'het regende'. Het imperfectum beschrijft achtergrond, leeftijd, tijd, weer en lopende toestanden; het preteritum stuwt het verhaal voort met specifieke afgeronde gebeurtenissen. Beide kunnen in dezelfde zin verschijnen: het imperfectum zet de scène neer, het preteritum introduceert wat er gebeurde. De uitgangen van het imperfectum zijn zeer regelmatig; het preteritum kent veel onregelmatige vormen.
Het Spaans heeft twee manieren om over de toekomst te praten. De synthetische toekomende tijd voegt uitgangen (-é, -ás, -á, -emos, -éis, -án) direct toe aan de volledige infinitief: hablaré, comerás, vivirá. Een handvol werkwoorden heeft onregelmatige stammen (tendré, haré, diré, pondré, saldré, vendré, podré, sabré, querré). De perifrastische toekomende tijd gebruikt 'ir a + infinitief' (voy a hablar = 'ik ga spreken') en is in spreektaal veel gebruikelijker voor plannen in de nabije toekomst. De synthetische toekomende tijd kan ook waarschijnlijkheid of vermoeden over het heden uitdrukken ('¿Dónde estará?' = 'Waar zou hij/zij toch zijn?').
Beide werkwoorden betekenen 'zijn', maar ze zijn niet uitwisselbaar. Ser drukt inherente identiteit, eigenschappen, herkomst, beroep, nationaliteit, materiaal, bezit en tijd/datum uit: 'Soy médico', 'Es de España', 'Son las tres'. Estar drukt locatie, tijdelijke toestanden, emoties, condities en lopende handelingen uit (met het gerundium): 'Estoy cansado', 'Está en casa', 'Estamos comiendo'. Sommige bijvoeglijke naamwoorden veranderen van betekenis afhankelijk van welk werkwoord wordt gebruikt: 'ser aburrido' = saai zijn, 'estar aburrido' = zich vervelen; 'ser listo' = slim zijn, 'estar listo' = klaar zijn. Het contrast is essentie (ser) versus toestand of positie (estar).
De basisontkenning plaatst 'no' onmiddellijk vóór het vervoegde werkwoord: 'No hablo francés' = 'Ik spreek geen Frans'. Voornaamwoorden als voorwerp blijven tussen 'no' en het werkwoord staan: 'No lo veo'. Anders dan in het Nederlands gebruikt het Spaans dubbele (en zelfs drievoudige) ontkenningen: wanneer een ontkennend woord zoals nunca, nadie, nada, ningún, tampoco na het werkwoord komt, moet 'no' het werkwoord voorafgaan. Als het ontkennende woord vóór het werkwoord komt, vervalt 'no': 'Nunca como carne' = 'Nadie sabe'. Deze opeenstapeling is grammaticaal verplicht, niet nadrukkelijk. 'Ni... ni...' betekent 'noch... noch...'.
Ja/nee-vragen worden vaak alleen door stijgende intonatie gevormd, met dezelfde woordvolgorde als een mededelende zin: '¿Hablas español?'. Inversie (werkwoord-onderwerp) komt ook vaak voor, vooral in geschreven taal: '¿Habla María español?'. Geschreven Spaans gebruikt een omgekeerd vraagteken '¿' aan het begin en een normaal '?' aan het einde. Vraagwoorden beginnen met een vragend woord, die allemaal een geschreven accent dragen: qué (wat), quién/quiénes (wie), dónde (waar), cuándo (wanneer), cómo (hoe), por qué (waarom), cuánto/-a/-os/-as (hoeveel), cuál/cuáles (welke). Onderwerpsvoornaamwoorden kunnen op het werkwoord volgen in vraagwoord-vragen.
Zelfstandige naamwoorden die eindigen op een onbeklemtoonde klinker krijgen -s erbij: libro > libros, casa > casas. Woorden die eindigen op een medeklinker of een beklemtoonde klinker krijgen -es: papel > papeles, rey > reyes, café > cafés (sommige accepteren alleen -s). Woorden die eindigen op -z veranderen de z in c en krijgen -es: luz > luces, pez > peces. Woorden die eindigen op -s in een onbeklemtoonde laatste lettergreep veranderen niet in het meervoud: el lunes > los lunes, la crisis > las crisis. Het toevoegen van een meervoudsuitgang kan een aanpassing van de geschreven accenten vereisen om het klempatroon te behouden: examen > exámenes, joven > jóvenes.
Wederkerende werkwoorden nemen een voornaamwoord (me, te, se, nos, os, se) dat terugverwijst naar het onderwerp. De infinitiefvorm eindigt op -se: llamarse, levantarse, lavarse. Veel ervan beschrijven dagelijkse routines en toestandsveranderingen: 'Me levanto a las siete' = 'Ik sta om zeven uur op'. Andere zijn van nature wederkerend in vorm (quejarse, atreverse). Werkwoorden van het type 'gustar' zijn strikt genomen niet wederkerend, maar gebruiken een soortgelijk patroon met voorwerpsvoornaamwoord: het ding dat bevalt is het grammaticale onderwerp en de persoon is meewerkend voorwerp ('Me gusta el café' betekent letterlijk 'Koffie bevalt mij'). Het wederkerend voornaamwoord gaat vooraf aan het vervoegde werkwoord of plakt vast aan infinitieven/gerundia.
Wanneer het lijdend voorwerp van een werkwoord een specifieke persoon is (of een gepersonifieerd wezen, met inbegrip van huisdieren), voegt het Spaans het voorzetsel 'a' ervoor in. Deze 'persoonlijke a' heeft geen Nederlands equivalent en wordt niet vertaald. Vergelijk: 'Veo la casa' (ik zie het huis) versus 'Veo a María' (ik zie María). Hij wordt gebruikt bij specifieke personen, huisdieren met een naam en gepersonifieerde entiteiten of groepen; hij wordt over het algemeen weggelaten bij niet-specifieke of onbepaalde personen na 'tener' ('Tengo dos hermanos'). Vraagwoorden die naar personen verwijzen krijgen hem ook: '¿A quién buscas?'. Met 'el' trekt 'a' samen tot 'al'.