Het Chinees heeft geen alfabet — elk woord wordt geschreven met een of meer karakters (汉字, hànzì), elk een lettergreep met een betekenis. Er zijn er duizenden; voor dagelijks lezen heb je ongeveer 2.000 tot 3.000 nodig. Pinyin is de officiële romanisering die gebruikt wordt om de uitspraak aan te leren. Het lijkt op Latijnse letters, maar enkele hebben een ongewone klankwaarde: · c = ts (zoals in tsaar) · q = tj met de tong verder naar achteren · x = sj maar lichter, tong tegen de ondertanden · zh = dj zoals in judge · ch = Engelse ch met de tong omgekruld · sh = Engelse sh met de tong omgekruld · r = zoals de Engelse r in raw met de tong omgekruld Tonen veranderen de betekenis. Het Mandarijn heeft vier tonen plus een neutrale toon. Dezelfde lettergreep ma betekent met verschillende tonen verschillende woorden: · 1e toon (mā, ˉ) — hoog, vlak, alsof je een aangehouden noot zingt. 妈 = moeder · 2e toon (má, ´) — stijgend, alsof je hè? vraagt. 麻 = hennep · 3e toon (mǎ, ˇ) — daalt en stijgt dan, zoals nou…. 马 = paard · 4e toon (mà, `) — scherp dalend, zoals een boos nee!. 骂 = uitschelden · Neutraal (ma) — kort en onbeklemtoond, gebruikt in partikels zoals het vraagpartikel 吗. De toon van een woord leren is even belangrijk als het leren van de medeklinkers en klinkers.
Elk voorbeeld hieronder bestaat uit drie delen: de originele tekst, een letterlijke glosse die beschrijft hoe elk woord werkt, en een natuurlijke vertaling. De glossen gebruiken enkele korte labels om bondig te blijven. Maak je geen zorgen om ze uit het hoofd te leren — dit is een naslagwerk waar je later op kunt terugvallen. Persoon en getal · 1sg / 2sg / 3sg — eerste / tweede / derde persoon enkelvoud (ik, jij, hij/zij/het) · 1pl / 2pl / 3pl — eerste / tweede / derde persoon meervoud (wij, jullie, zij) Geslacht en naamval · m / f / n — mannelijk / vrouwelijk / onzijdig · sg / pl — enkelvoud / meervoud · m.sg — gecombineerd: mannelijk enkelvoud (en analoog f.pl, n.sg, enz.) · NOM / ACC / GEN / DAT / INS / LOC — grammaticale naamvallen (nominatief/accusatief/genitief/datief/instrumentalis/locatief) — welke rol het woord in de zin vervult Tijd en aspect · PRES — tegenwoordige tijd · PRET — preteritum (een afgesloten gebeurtenis in het verleden) · IMPF — imperfectum (een doorlopende of gewoontevormende situatie in het verleden) · FUT — toekomende tijd · PERF — perfectum (een afgesloten handeling met relevantie voor het heden) · PROG — progressief (handeling die aan de gang is, bv. aan het eten zijn) · COND — conditioneel (zou…) Wijs · IND — indicatief (gewone mededeling) · SUBJ — subjunctief (onzekerheid, wensen, twijfels) · IMP — imperatief (bevelen) · INF — infinitief (woordenboekvorm: gaan, eten) Overig · REFL — reflexief (handeling op zichzelf: mijzelf, jezelf) · PERS — persoonlijke a (alleen Spaans — markeert een menselijk lijdend voorwerp) · HON — beleefdheidsvorm (extra-beleefde vorm, gebruikelijk in Japans/Koreaans) · TOP / SUB / OBJ — topic- / onderwerp- / lijdend-voorwerpmarkering (Japans, Koreaans) · CL — classifier (Chinees, Japans, Koreaans — een telwoord voor zelfstandige naamwoorden) · NEG — ontkenning
Het Chinees wordt geschreven met Han-karakters (汉字 hànzì) — logografische symbolen waarbij elk karakter een lettergreep en een betekenis vertegenwoordigt, geen fonetische letter. Er is GEEN alfabet: je spelt woorden niet uit letters, je leert elk karakter als een eenheid. Om de uitspraak in Latijns schrift weer te geven, gebruikt het moderne Chinees pinyin, het officiële romaniseringssysteem, dat lettergrepen schrijft met vertrouwde letters plus toonmarkeringen. Het Mandarijn heeft vier lexicale tonen plus een neutrale toon, en de toon maakt deel uit van het woord: mā, má, mǎ, mà, ma zijn vijf verschillende lettergrepen met verschillende betekenissen. Er bestaan twee belangrijke karaktersets: Vereenvoudigd Chinees, gebruikt op het vasteland en in Singapore, en Traditioneel Chinees, gebruikt in Taiwan, Hongkong en Macau.
De standaardzin in het Mandarijn is onderwerp-werkwoord-lijdend voorwerp, net als in het Nederlands: 'Ik eet rijst.' Toch is het Chinees ook sterk topic-prominent. Sprekers plaatsen vaak datgene waar ze het over willen hebben vooraan, en geven er daarna commentaar op. Het topic is niet noodzakelijk het grammaticale onderwerp — het kan het lijdend voorwerp, een tijd of een plaats zijn. Daarom voelt het Chinees 'flexibel' aan, ook al is de basisvolgorde SVO strikt: sprekers herschikken voor nadruk, niet om de grammaticale rol. Bijwoorden, tijdswoorden en plaatsbepalingen staan bijna altijd VOOR het werkwoord, niet erna. Het herkennen van de topic-comment-structuur is essentieel om echt gesproken Mandarijn te kunnen ontleden.
Het Chinees heeft geen 'een/de/het'. De bepaaldheid wordt afgeleid uit de context, de woordvolgorde of telwoorden. Nog revolutionairder voor sprekers van Europese talen: werkwoorden en zelfstandige naamwoorden veranderen NOOIT van vorm. Er is geen vervoeging voor persoon, getal, tijd of wijs. 吃 (chī, 'eten') is altijd dezelfde vorm, of het onderwerp nu ik, jij, hij, wij of zij is, en of de handeling gisteren, vandaag of morgen plaatsvindt. Zelfstandige naamwoorden worden niet gemarkeerd voor enkelvoud of meervoud. Er is geen grammaticaal geslacht. Wat het Nederlands in uitgangen verpakt, drukt het Chinees uit met afzonderlijke woorden: tijdswoorden, aspectpartikels, telwoorden en context. Zodra je dit verinnerlijkt, wordt de taal veel minder intimiderend.
De voornaamwoorden zijn verfrissend eenvoudig en regelmatig. Enkelvoud: 我 (wǒ) 'ik/mij', 你 (nǐ) 'jij/jou', 他 (tā) 'hij/hem', 她 (tā) 'zij/haar', 它 (tā) 'het'. Merk op dat hij/zij/het allemaal als 'tā' worden uitgesproken — alleen het karakter verschilt. Het meervoud wordt gevormd door 们 (men) toe te voegen: 我们 (wǒmen) 'wij', 你们 (nǐmen) 'jullie', 他们 (tāmen) 'zij'. Er is geen onderscheid tussen onderwerps- en lijdend-voorwerpvormen ('ik' en 'mij' zijn beide 我), en er is geen bezittelijke vorm — bezit wordt gevormd door 的 (de) toe te voegen: 我的 (wǒ de) 'mijn'. De beleefde vorm voor 'u' is 您 (nín), gebruikt voor ouderen, klanten en formele aanspreking.
Elk telbaar zelfstandig naamwoord in het Chinees vereist een telwoord (classifier) tussen het getal/aanwijzend voornaamwoord en het zelfstandig naamwoord. Je kunt niet zeggen 'drie boek' — je moet zeggen 'drie [classifier] boek'. De classifier hangt af van de vorm of categorie van het zelfstandig naamwoord. 个 (gè) is de standaard die overal past — bij twijfel, gebruik die (personen, abstracte zaken, veel voorwerpen). 只 (zhī) is voor de meeste dieren en voor één van een paar. 本 (běn) is voor ingebonden zaken: boeken, tijdschriften, woordenboeken. 杯 (bēi) betekent 'kopje/glas' (dranken). 张 (zhāng) is voor platte, blad-achtige voorwerpen: papier, kaartjes, tafels, bedden, foto's. Telwoorden verschijnen ook na 这 (dit) en 那 (dat).
Werkwoorden hebben slechts ÉÉN vorm. 去 (qù, 'gaan') is 去, of het onderwerp nu ik, jij, wij of zij is, en of de handeling in het verleden, heden of de toekomst plaatsvindt. Om aan te geven wanneer iets gebeurt, gebruikt het Mandarijn twee strategieën: (1) tijdswoorden voor het werkwoord (昨天 'gisteren', 现在 'nu', 明天 'morgen'), en (2) aspectpartikels die aan het werkwoord vastgehecht worden (zie de volgende sectie). Cruciaal: aspect is GEEN tijd — het markeert of een handeling voltooid, ervaren, doorlopend enzovoort is, niet wanneer ze plaatsvond. Een kaal werkwoord zonder tijdswoord en zonder aspectpartikel wordt vaak begrepen als gewoonte of als een algemene waarheid. De context doet veel van het werk dat vervoeging in Europese talen doet.
Het Mandarijn markeert aspect (de interne vorm van een gebeurtenis), geen tijd. 了 (le) na een werkwoord duidt op een voltooide/gerealiseerde handeling — vaak vertaalbaar als verleden tijd, maar eigenlijk 'afgerond'. 过 (guo) markeert een ervaring die de spreker minstens één keer in het leven heeft gehad ('ooit X gedaan hebben'). 着 (zhe) markeert een aanhoudende toestand of achtergrondhandeling — het resultaat blijft hangen. 在 (zài) VÓÓR het werkwoord markeert een lopende handeling, zoals het Nederlandse 'aan het …'. Deze vier zijn niet uitwisselbaar: 我吃了 ('ik heb gegeten') verschilt van 我吃过 ('ik heb het ooit geprobeerd te eten') en van 我在吃 ('ik ben nu aan het eten').
Omdat werkwoorden niet vervoegen, leunt het Mandarijn sterk op tijdsuitdrukkingen om een gebeurtenis in de tijd te plaatsen. Het verleden wordt meestal gemarkeerd door een tijdswoord uit het verleden (昨天 'gisteren', 上个星期 'vorige week', 去年 'vorig jaar'), vaak in combinatie met 了 of 过 als de voltooiing of ervaring benadrukt wordt. De toekomst wordt gemarkeerd door een toekomstig tijdswoord (明天 'morgen', 下个月 'volgende maand'), en 了/过 worden meestal NIET gebruikt voor toekomstige gebeurtenissen. Tijdswoorden staan vóór het werkwoord, en gewoonlijk vlak na (of vóór) het onderwerp. Zodra een tijdskader is vastgesteld, blijven volgende werkwoorden in hetzelfde gesprek binnen dat kader zonder extra markering.
Het Mandarijn gebruikt twee ontkenningswoorden, en het verkeerde kiezen is een klassieke leerlingfout. 不 (bù) is de algemene/gewoonte-/toekomst-/intentie-ontkenning — het ontkent toestanden, gewoontes, intenties en bijvoeglijke predicaten. 没 (méi, volledige vorm 没有 méiyǒu) ontkent voltooide handelingen in het verleden ÉN het werkwoord 有 'hebben'. Vuistregel: elke handeling die NIET PLAATSVOND krijgt 没; elke toestand, voorkeur of toekomstplan krijgt 不. Je kunt 没 nooit met 了 combineren — de voltooid-negatieve vorm is gewoon 没 alleen. Bij bijvoeglijke naamwoorden wordt alleen 不 gebruikt (不好 'niet goed'). Bij 有 wordt alleen 没 gebruikt (没有钱 'geen geld hebben').
Ja/nee-vragen worden eenvoudig gevormd: voeg het partikel 吗 (ma) aan het einde van een bewering toe, zonder de woordvolgorde te veranderen. Een gelijkwaardige neutrale vorm is de A-niet-A-constructie: herhaal het werkwoord of bijvoeglijk naamwoord met 不 ertussen (是不是 'is of niet', 好不好 'is het goed of niet', 去不去 'gaan of niet'). Voor vragen met een vraagwoord gebruikt het Chinees vraagwoorden OP DE PLEK die het antwoord zou innemen — er is GEEN verplaatsing naar voren. 什么 (shénme) 'wat', 哪儿/哪里 (nǎr/nǎlǐ) 'waar', 谁 (shéi) 'wie', 为什么 (wèishénme) 'waarom', 怎么 (zěnme) 'hoe', 什么时候 (shénme shíhou) 'wanneer'.
Het Chinees heeft geen algemene meervoudsmarkering. Een zelfstandig naamwoord zoals 书 (shū, 'boek') is ambigu tussen 'boek' en 'boeken' — het getal wordt aangegeven door telwoorden + classifiers, door hoeveelheidswoorden zoals 很多 'veel', of door de context. Het achtervoegsel 们 (men) BESTAAT wel, maar het hecht zich uitsluitend aan BEZIELDE verwijzingen: persoonlijke voornaamwoorden (我们, 你们, 他们) en menselijke zelfstandige naamwoorden (朋友们 'vrienden', 老师们 'leraren', 同学们 'klasgenoten'). Je kunt 们 niet gebruiken bij levenloze voorwerpen (geen 书们) en je kunt 们 niet combineren met een specifiek getal — '三个学生' (drie studenten), nooit '三个学生们'. 们 wordt gebruikt voor algemene of collectieve verwijzing naar mensen.
是 (shì) is het werkwoord 'zijn', maar het gebruik is veel beperkter dan het Nederlandse 'zijn'. Het stelt twee zelfstandige naamwoorden aan elkaar gelijk: 'X is (een) Y'. Gebruik 是 wanneer beide kanten van de zin een zelfstandig naamwoord of nominale woordgroep zijn. CRUCIAAL: gebruik 是 NIET voor een bijvoeglijk naamwoord — Chinese bijvoeglijke naamwoorden zijn op zichzelf al predicaten (zie de volgende sectie). 我是高 zeggen voor 'ik ben groot' is een klassieke beginnersfout. 是 wordt ook gebruikt voor nadruk in de 是…的 (shì…de)-constructie, die een specifiek detail (tijd, plaats, manier) van een handeling uit het verleden benadrukt. De ontkenning is 不是 (bú shì) — 没 wordt nooit met 是 gebruikt.
Chinese bijvoeglijke naamwoorden fungeren als volwaardige werkwoorden: '好' alleen kan al 'is goed' betekenen. Er is geen 是 nodig tussen onderwerp en bijvoeglijk naamwoord. Een kaal bijvoeglijk predicaat klinkt echter vaak contrasterend ('X is goed (maar Y niet)'). Om een neutrale uitspraak te doen, vult het Mandarijn die plek met 很 (hěn). Hoewel 很 letterlijk 'erg' betekent, is het in deze constructie grotendeels een lege grammaticale vulling — 我很忙 betekent simpelweg 'ik heb het druk', niet noodzakelijk 'erg druk'. Echte nadruk gebruikt klemtoon, 非常 (fēicháng) 'extreem', of 太…了 (tài…le) 'te…'. In een ontkenning vervangt 不 het 很: 我不忙 'ik heb het niet druk'. In vragen geldt de A-niet-A-vorm rechtstreeks: 忙不忙?
De 把-constructie laat je het LIJDEND VOORWERP van een overgankelijk werkwoord naar voren halen om te benadrukken wat ermee gebeurt — meestal een bepaald, specifiek object dat door de handeling wordt beïnvloed, verplaatst of veranderd. Structuur: onderwerp + 把 + lijdend voorwerp + werkwoord + (resultaat/complement). Het werkwoord kan niet kaal zijn — het moet een resultaat, richting, locatie, 了, een verdubbeling of een ander complement dragen. Gebruik 把 wanneer je moet aangeven waar het lijdend voorwerp belandde, in welke toestand het eindigde, of hoe ermee werd omgegaan. Je kunt 把 niet gebruiken met werkwoorden van waarneming, emotie of bestaan (看见, 喜欢, 有). De ontkenning (不/没) staat VÓÓR 把.
Het Mandarijn is een toontaal: de toonhoogteverloop van een lettergreep maakt deel uit van het woord, en de toon veranderen verandert de betekenis. Er zijn vier lexicale tonen plus een neutrale toon. Toon 1 is hoog en vlak (mā 妈 'moeder'); toon 2 stijgt (má 麻 'hennep'); toon 3 daalt laag en stijgt dan (mǎ 马 'paard'); toon 4 daalt scherp (mà 骂 'uitschelden'); de neutrale toon is kort en onbeklemtoond (ma 吗, vraagpartikel). Dezelfde medeklinkers en klinkers met andere tonen zijn totaal verschillende woorden. Tonen moeten bij elk nieuw woord geleerd worden, en er zijn toonveranderingsregels (sandhi) — bijvoorbeeld worden twee opeenvolgende derde tonen stijgend-derde (3+3 → 2+3).